tetralaw

Tetralert

DE HERVORMING VAN HET ERFRECHT : WAT MOETEN WE DOEN VÓÓR 1 SEPTEMBER 2018?

Afdeling : 

De wet van 31 juli 2017, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, heeft ingrijpende wijzigingen aangebracht in ons Burgerlijk Wetboek. De wetgever wil de huidige regels vereenvoudigen en moderniseren en tegelijkertijd toch een grotere beschikkingsvrijheid over het vermogen toelaten. Aldus zal het boegbeeld van deze hervorming, het beschikbare deel, voortaan gelijk zijn aan 50% van het vermogen, onafgezien van het aantal kinderen. De wetgever heeft rekening willen houden met de evolutie van de samenleving (i) de mensen leven steeds langer en (ii) hebben vaak meerdere levens. Deze wet zal van toepassing zijn op alle nalatenschappen die openvallen vanaf 1 september 2018. Alle schenkingsaktes, zelfs de voorgaande, zullen dus, in principe, worden onderworpen aan de nieuwe regels behoudens in bepaalde gevallen (automatisch of via een bevestiging van een notaris die moet tussenkomen vóór 1 september 2018).

I. DE BELANGRIJKSTE WIJZIGINGEN

1. De reserve en de inkorting van schenkingen

Heden zijn de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent de afstammelingen, de echtgenoot en bij gebreke aan afstammelingen, de bloedverwanten in opgaande lijn. Het beschikbare deel bedraagt 50% (in geval van één kind), 1/3 (in geval van twee kinderen) en ¼ (in geval van drie kinderen of meer).

Vanaf 1 september 2018 zal de reserve van de afstammelingen begrepen worden als een globale reserve gelijk aan de helft van de nalatenschap. De andere helft zal aangerekend worden voor het beschikbare deel.

De reserve van de langstlevende echtgenoot werd niet gewijzigd (behalve voor wat betreft de concrete reserve die werd uitgebreid tot het huurrecht op de gezinswoning). Tijdens de waardering van deze reserve werd echter voorzien dat de langstlevende echtgenoot zijn recht niet meer zal kunnen laten gelden op de inkorting op giften gedaan voor zijn huwelijk met de schenker.

De reserve van de bloedverwanten in opgaande lijn werd afgeschaft en vervangen door een onderhoudsvordering in geval van behoeftigheid (beperkt tot een vierde van de nalatenschap).

De erflater zal dus vrij kunnen beschikken over de helft van zijn vermogen. Vanaf 1 september 2018 zal de inkorting van een schenking gebeuren door mindere ontvangst. De begiftigde zal dus het goed behouden en zal het dus onder andere moeten compenseren in geld. Hij kan echter instemmen met een inkorting in natura. Grote nieuwigheid in de wet: de waardering van goederen. In het kader van de inkorting zal de geïndexeerde waarde van de geschonken activa op de dag van de schenking in rekening worden genomen. Indien de schenker echter niet vrij heeft kunnen beschikken over de geschonken goederen omwille van bijvoorbeeld een last van onbeschikbaarheid of een vruchtgebruik, zal de waardering van het goed gebeuren op de dag waarop de last zal ophouden of het vruchtgebruik zal vervallen.

2. De inbreng van schenkingen

De inbreng van schenkingen beoogt de gelijkheid tussen de verschillende reservataire erfgenamen te behouden. Bij gebreke aan verduidelijking zullen de giften ten opzichte van de echtgenoot en de afstammelingen heden geacht worden voor inbreng vatbaar te zijn.

Op dit vlak zijn drie belangrijke wijzigingen te noteren.

  • Enkel de schenkingen gedaan aan afstammelingen zullen nog geacht worden voor inbreng vatbaar te zijn. De inbreng zal dus niet meer bestaan voor of jegens de langstlevende echtgenoot. Voor schenkingen uitgevoerd vóór 1 september 2018 heeft de wetgever echter het behoud toegelaten van de regels m.b.t. de wijze van inbreng zoals ze voorzien werden tijdens de schenking.
  • De inbreng van schenkingen zal uitgevoerd worden door mindere ontvangst en rekening houdende met de geïndexeerde waarde op de dag van de schenking (harmonisering met de regels van toepassing op het vlak van inkorting; onderscheid gemaakt volgens dat de begiftigde al dan niet vrij heeft kunnen beschikken over de geschonken goederen).
  • Heden is het mogelijk om een schenking die voor inbreng vatbaar is te transformeren in een niet voor inbreng vatbare schenking. Het omgekeerde is echter onmogelijk. De nieuwe wet zal een wijziging toelaten in de twee richtingen, onder voorbehoud van het akkoord van de begiftigde.

3. Overeenkomsten over toekomstige nalatenschappen

Het principe van het verbod op overeenkomsten over toekomstige nalatenschappen blijft van toepassing maar het wordt versoepeld. De wet heeft inderdaad globale erfovereenkomsten voorzien (noodzakelijkerwijze af te sluiten met alle erfgenamen in nederdalende lijn) en punctueel (die kunnen tussenkomen tussen sommigen onder hen). In de twee gevallen zullen de erfovereenkomsten de vorm hebben van een notariële akte en een belangrijk formalisme moeten respecteren.

Dankzij deze overeenkomsten kunnen de gerealiseerde schenkingen worden vastgelegd om alle betwisting te vermijden tussen de erfgenamen op de dag van het openvallen van de nalatenschap van de schenker. Deze laatste zal ze moeten detailleren en waarderen om aan te tonen dat er volgens hem een evenwicht is behouden, hoe subjectief ook, tussen zijn verschillende afstammelingen. Indien alle partijen deze overeenkomst tekenen, doen zij definitief afstand van hun recht om de inkorting van een schenking te vragen of de waarde ervan te betwisten.

Naast het zwaar formalisme dat rust op de opstelling van deze overeenkomsten, maakt ook de fiscale onzekerheid ervan dat hiervoor minder wordt geopteerd: de akte moet voor een notaris plaatsvinden, zouden de registratierechten verschuldigd zijn op de reeds tussengekomen schenkingen en precies geïnventariseerd zijn in de overeenkomst? De vraag blijft open.

4. De omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot

De omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot blijft mogelijk, behalve voor wat betreft de familiewoonst (er is en er zal altijd het akkoord nodig zijn van de langstlevende echtgenoot). Indien de rechter heden echter beschikt over een beoordelingsbevoegdheid, dan zal hij hier in de toekomst niet meer op dezelfde manier over beschikken. De nieuwe wet vereist inderdaad niet meer de tussenkomst van een magistraat in geval van kinderen van een ander huwelijk. Bovendien zal deze omzetting niet kunnen betwist worden en zullen enkel de wettelijke tabellen van toepassing zijn.

II. GEVOLGEN OP DE REEDS INGEVOERDE SUCCESSIEPLANNINGEN

Wij hebben ons gebogen over enkele situaties die frequent in de praktijk voorkomen om deze te analyseren in het licht van de nieuwe wet.

1. Tussen echtgenoten

De schenking tussen echtgenoten, getrouwd in een stelsel van scheiding van goederen, wordt vaak bevoorrecht wanneer de kinderen nog jong zijn. Zij is zeer soepel (herroepbaarheid van de schenkingen tussen echtgenoten) en als ze vatbaar is voor inbreng in natura, behoudt zij de ‘natuurlijke’ effecten in het geval van overlijden van de schenker: het goed geschonken in blote eigendom wordt ingebracht ten voordele van de kinderen en de langstlevende echtgenoot behoudt het vruchtgebruik. Uit fiscaal oogpunt worden echter de successierechten vermeden.

Gezien de afschaffing van de inbreng door de langstlevende echtgenoot van de ontvangen giften van de erflater, moet echter deze handelswijze herzien worden. De activa geschonken aan de echtgenoot zullen immers niet meer ingebracht worden in de nalatenschap maar zullen prioritair worden aangerekend op het beschikbare deel. Indien bij het overlijden van de tweede echtgenoot de geschonken activa zich nog in het vermogen bevinden, zullen de kinderen van de schenker successierechten betalen op deze activa (behoudens voorafgaande planning door de tweede echtgenoot). Het zou dus interessant zijn om in de vaak voorkomende hypothese dat de schenker zijn echtgenoot niet als dusdanig wenst te bevoordelen ten opzichte van zijn kinderen, een schenking te plannen aan zijn echtgenoot, vatbaar voor inbreng in natura jegens de nalatenschap en dit vanaf 1 september 2018.

Door de toepassing van de bij wet voorziene overgangsregels zullen inderdaad alle reeds gerealiseerde schenkingen (op 1 september 2018) op basis van dit schema van toepassing kunnen blijven tot op de dag van het overlijden van de schenker, zoals door deze laatste oorspronkelijk voorzien en gewild.

2. Jegens de afstammelingen

In het kader van schenkingen kwam het veelvuldig voor dat, wanneer een schenker activa bezat van een verschillende waarde en aard (cash, effecten en onroerend goed), gebruik werd gemaakt van de techniek van de « dubbele akte ». Deze methode bestond eruit om dezelfde goederen, dezelfde dag, aan alle afstammelingen in onverdeeldheid te schenken om te vermijden dat op de dag van het openvallen van de nalatenschap de toepassing van de regels van inbreng ongewenste ongelijkheden tussen de kinderen zouden doen ontstaan. Vervolgens zorgden de kinderen ervoor dat zij nadien uit de onverdeeldheid traden en de geschonken activa tussen hen verdeelden, volgens hun affiniteiten. Deze methode zou haar bestaansreden kunnen verliezen gezien de harmonisering van de waarderingsregels op dit vlak. Het zal immers volstaan dat de waarde van de geschonken goederen op de dag van de schenking (in volle eigendom) dezelfde is voor elke begiftigde.

Er dient echter gedacht te worden (i) aan de echtgenoot jegens dewelke deze schenkingen niet meer vatbaar zullen zijn voor inbreng en (ii) aan de ‘gelijkheid’ van de regels op het vlak van waardering die zullen worden vernietigd in het geval van een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik. 

Voor wat de echtgenoot betreft, heeft de wetgever voorzien dat er, in het geval dat de schenking tussenkomt na het huwelijk en dat ze is uitgevoerd met voorbehoud van vruchtgebruik, een « blijvend » vruchtgebruik is voor de langstlevende echtgenoot. Aangezien dit vruchtgebruik een nieuw recht van erfrechtelijke aard was, gaan wij van de veronderstelling uit dat het niet belast zal worden op successierechten. Dankzij deze bepaling zal dus in fine, zoals vroeger, de langstlevende echtgenoot kunnen genieten van een niet belastbaar erfvruchtgebruik op de goederen geschonken door zijn echtgenoot aan de kinderen.

Voor wat echter de inbreng betreft, zal men zich moeten baseren op de waarde van het goed op de dag van het overlijden (indien de erflater niet vooraf van zijn vruchtgebruik had afgezien) en zouden bijgevolg ongelijkheden enkel verbonden aan de inbreng weer kunnen opduiken. De techniek van de dubbele akte zal dus niet noodzakelijkerwijze voorbijgestreefd zijn.

3. Jegens derden

Ook al is het waar dat dankzij de verhoging van het beschikbare deel in een groot deel van de gevallen derden ruimer kunnen worden bevoordeeld, dient er echter genoteerd te worden dat in bepaalde bijzondere gevallen de situatie verschillend zal zijn, onder andere wanneer de erflater zijn echtgenoot heeft willen inkorten op zijn reserve. In dat geval heeft de wetgever voorzien dat de reserve van de afstammelingen (namelijk de kinderen) vrij moest zijn van vruchtgebruik. Bijgevolg zal de reserve van de langstlevende echtgenoot aangerekend worden voor zijn vruchtgebruik op het beschikbare deel. Aldus zullen de giften in volle eigendom die de erflater zou hebben gedaan aan derden (en die noodzakelijkerwijze aangerekend worden op het beschikbare deel) systematisch ingekort worden op de blote eigendom. Indien daarentegen de rechten van de langstlevende echtgenoot niet bij testament werden ingekort, zal de verdeling vruchtgebruik / blote eigendom zoals voorheen tussenkomen, tussen de kinderen en de echtgenoot.

Eén van de belangrijkste pijlers van de hervorming was precies het principe van verhoogde autonomie dat vertaald werd door de kwantitatieve uitbreiding van het beschikbare deel. Hierdoor kan men grotere legaten uitvoeren aan derden zoals bijvoorbeeld aan stiefkinderen (trouwens rekening houdende met de gunstige tarieven in de verschillende regio’s) of aan liefdadigheidswerken.

Iedereen is betrokken - zelfs degenen die er niet zouden aan denken - : men moet inderdaad zeer oplettend zijn en de bewoording van de huidige testamentaire bepalingen nazien: een persoon die drie kinderen heeft en die aan een vriend /een stichting het grootst beschikbare deel nalaat, laat hem/haar heden een vierde van zijn nalatenschap na terwijl hij vanaf 1 september 2018 hem/haar de helft van zijn nalatenschap zal nalaten.

III. BESLUIT

Deze hervorming brengt er ons toe terug te komen op onze praktijken uit het verleden om zich ervan te verzekeren dat de oorspronkelijke wil van de schenker of van de erflater wordt gerespecteerd in het licht van de nieuwe wettelijke bepalingen.

Het evenwicht in de families werd immers gewijzigd en het is belangrijk om tijdens de volgende tien maanden na te gaan of de schenkingsaktes of de testamentaire bepalingen vermeldingen bevatten die gecorrigeerd moeten worden en of het nodig is om het behoud ervan te bevestigen in een uitdrukkelijke verklaring bij de notaris.

In de toekomst zullen nieuwe regels meer vrijheid toekennen aan de schenker/erflater en meer rechtszekerheid aan de begiftigde /legataris.

Tenslotte is het absoluut noodzakelijk de evolutie van de huidige hervorming te volgen op het vlak van huwelijksstelsels want deze twee materies zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en zullen ook gevolgen hebben op de organisatie van het vermogen van families.

Share

PROGRAMMAWET VAN 25 DECEMBER 2017: OVERZICHT VAN DE SOCIAALRECHTELIJKE WIJZIGINGEN

Afdeling : 

Op 25 december 2017 werd een Programmawet (hierna « de Wet») aangenomen door de Kamer en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 december. Naast de wijzigingen op fiscaal vlak bevat deze Wet ook verschillende maatregelen met betrekking tot het sociaal recht en het sociale zekerheidsrecht.

De vijf belangrijkste sociaalrechtelijke wijzigingen waar we hieronder nader op ingaan, zijn de volgende:

  • de verhoging van de bijzondere sociale zekerheidsbijdrage voor de aanvullende pensioenen;
  • de uitbreiding van de flexi-jobs naar de sectoren van de handel en tot de gepensioneerden;
  • de invoering van een nieuwe winstpremie op de uitkeerbare winsten ten voordele van de werknemers;
  • de invoering van een activeringsbijdrage in geval van vrijstelling van prestaties van werknemers met behoud van loon;
  • de invoering van een responsabiliseringsbijdrage op het vlak van tewerkstelling van deeltijdse werknemers.

I. de verhoging van de bijzondere sociale zekerheidsbijdrage voor de aanvullende pensioenen

Begin 2012 werd een bijzondere sociale zekerheidsbijdrage ingevoerd, de « Wijninckx-bijdrage », die 1,5% bedroeg op de stortingen van werkgevers voor de opbouw van een aanvullend pensioen voor werknemers. Deze bijdrage werd ingevoerd om te strijden tegen de « hoge aanvullende pensioenen » die soms een verkapte bezoldiging maskeerden. Deze Wijninckx-bijdrage, verschuldigd bovenop de gewone patronale bijdrage van 8,86%, is van toepassing wanneer voor een werknemer de som van de patronale bijdragen en/of premies voor de opbouw van een aanvullend pensioen de drempel overschrijdt van 30.000 euro per jaar (geïndexeerd bedrag voor 2017: 31.836,00 EUR). De werkgever moet dus voor elk bijdragejaar nagaan of deze drempel is overschreden voor de welbepaalde werknemer en als dit het geval is, deze bijzondere bijdrage betalen op dat deel dat dit bedrag overschrijdt. Zowel de bedragen betaald door de werkgever als deze betaald door de werknemer worden in rekening genomen om te bepalen of de drempel van 30.000 euro al dan niet is overschreden, maar de bijzondere bijdrage wordt enkel berekend op het deel van de bijdragen dat de drempel overschrijdt en dat betaald wordt door de werkgever. Voor zelfstandigen geldt een gelijkaardig stelsel.

De Wet verdubbelt het percentage van de bijzondere bijdrage van 1,5% naar 3% op 1 januari 2018.

Bovendien zal overeenkomstig de wet van 30 september 2017 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken het vast bedrag van 30.000 euro vanaf 1 januari 2019 vervangen worden door « een pensioendoelstelling », per werknemer. De bijdrage zal dus verschuldigd zijn wanneer op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar de som van het wettelijk pensioen en het aanvullend pensioen van een werknemer het maximaal bedrag van « de pensioendoelstelling » overschrijdt. Deze pensioendoelstelling is gelijk aan het maximaal bedrag van de pensioenen van de openbare sector vermenigvuldigd met de loopbaanbreuk. Vanaf die datum zal de bijzondere bijdrage verschuldigd zijn op het totaal bedrag van de patronale bijdragen – en niet enkel meer op dat deel van de bijdragen dat 30.000 euro overschrijdt –, indien de som van het aanvullend pensioen en van het wettelijk pensioen de pensioendoelstelling overschrijdt.

II. DE UITBREIDING VAN DE FLEXI-JOBS NAAR DE SECTOREN VAN DE HANDEL EN tot DE GEPENSIONEERDE WERKNEMERS

Eind november 2015 heeft de wetgever het concept van « flexi-job » geïntroduceerd, dat in eerste instantie beperkt werd tot de horecasector. Dankzij dit systeem kunnen degenen die reeds een hoofdactiviteit uitoefenen (overeenstemmend met een 4/5 tewerkstelling) in een horecazaak werken en een niet baremiek nettoloon ontvangen dat tussen partijen wordt overeengekomen, maar onderworpen is aan een wettelijk minimum bepaald voor het flexiloon (minimum 9,18 euro/uur), vermeerderd met het flexivakantiegeld (7,67 % van het flexiloon).

Dit nettoloon wordt vrijgesteld van belastingen en er is een bijzondere sociale werkgeversbijdrage van 25% verschuldigd. De werknemer houdt uit een flexi-job een hoger netto inkomen over dan uit een normale tewerkstelling en de werkgever geniet van een lagere totale kostprijs.

De Regering heeft beslist om de mogelijkheid van flexi-jobs vanaf 1 januari 2018 uit te breiden naar de sectoren van de handel, zowel voor wat betreft de kmo’s als voor wat betreft de warenhuizen, het gaat om de voedingssector, de detailhandel of nog de sector van het kappersbedrijf en de schoonheidszorgen (de Wet stelt een gedetailleerde lijst op van de betrokken sectoren).

De Regering heeft eveneens beslist deze gunstige mogelijkheid uit te breiden tot de gepensioneerde werknemers (met uitsluiting van wie geniet van een overgangsuitkering), die in het verleden ook reeds ruimschoots aan de financiering van de sociale zekerheid hebben bijgedragen.

III. DE INVOERING VAN EEN NIEUWE WINSTPREMIE OP DE UITKEERBARE WINSTEN

De Regering wenst de koopkracht te verbeteren en de ontwikkeling van ondernemingen te bevorderen. Op grond van deze overwegingen heeft zij een maatregel voorgesteld waardoor werkgevers aan hun loontrekkende werknemers een premie kunnen toekennen op de uitkeerbare winsten van het boekjaar, de « winstpremie », die zowel op fiscaal als sociaal vlak aantrekkelijk is: de werknemer betaalt een solidariteitsbijdrage van 13,07% op het bedrag van de premie en een belasting van 7% (belasting gelijkgesteld met inkomstenbelasting), terwijl voor de werkgever de premie beschouwd wordt als een verworpen uitgave en dus onderworpen wordt aan de vennootschapsbelasting (29% voor 2018).

Via deze premie, die hetzij een forfaitair bedrag vertegenwoordigt, hetzij een percentage van het loon of van de uitkeerbare winst zullen werkgevers op eenvoudige en flexibele wijze hun werknemers kunnen belonen. Aan alle werknemers kan een identieke winstpremie worden toegekend of er kan ook geopteerd worden voor een gecategoriseerde premie. De winstpremie kan in geen geval ter vervanging van verloning worden gebruikt.

Deze premie zal toegekend kunnen worden vanaf 1 januari 2018 (boekjaar 2017). Het totaal toegekend bedrag mag de maximale drempel van 30% van de brutoloonmassa ten laste van de werkgever niet overschrijden.

IV. DE INVOERING VAN EEN ACTIVERINGSBIJDRAGE IN GEVAL VAN VRIJSTELLING VAN PRESTATIES MET LOONBEHOUD

De invoering van een activeringsbijdrage spruit voort uit de toenemende praktijk waarbij oude werknemers worden vrijgesteld van prestaties, hun loon geheel of gedeeltelijk blijven ontvangen en  buiten het mechanisme van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag vallen. Deze tendens bestaat eruit deze oude werknemers thuis te laten en ze blijven te betalen, eerder dan ze aan te moedigen om zich te heroriënteren. Om deze tendens tegen te gaan, stelt de Wet vanaf 1 januari 2018 een activeringsbijdrage in ten laste van werkgevers, voor werknemers vrijgesteld van prestaties na 28 september 2017.

Deze bijzondere bijdrage is verschuldigd i) wanneer een werknemer geen enkele prestatie levert gedurende een volledig kwartaal bij dezelfde werkgever, met uitsluiting van de wettelijke schorsingen (arbeidsongeschiktheid, jaarlijkse vakantie, etc.), en (ii) in het geval van vrijstelling van prestaties tijdens de opzegperiode.

Het percentage van de activeringsbijdrage zal worden bepaald in functie van de leeftijd van de werknemer op het ogenblik dat hij wordt vrijgesteld van prestaties en zal constant blijven tot de wettelijke pensioenleeftijd (volgens een schaal gaande van 20% van het brutokwartaalloon van een werknemer jonger dan 55, met een minimum van 300 euro, tot 10% voor wie ouder is dan 62 jaar op het ogenblik van de toekenning van de vrijstelling, met een minimum van 225,60 euro).

In de Wet zijn voor bepaalde gevallen verminderingen en vrijstellingen van deze bijdrage opgenomen bijvoorbeeld wanneer de werknemer verplicht is een door de werkgever georganiseerde opleiding te volgen.

V. de invoering van een responsabiliseringsbijdrage op het vlak van tewerstelling van deeltijdse werknemers

In de Programmawet van 22 december 1989 is de wettelijke verplichting opgenomen waarbij de deeltijdse werknemer bij voorrang recht heeft op het bekomen van een voltijdse of deeltijdse betrekking die vacant is verklaard in de onderneming wanneer hij hiervoor een aanvraag heeft ingediend.

Met het oog op een betere naleving van deze verplichting wanneer de aanvraag tot het bekomen van een vacante betrekking werd ingediend door een deeltijdse werknemer met behoud van rechten en die geniet van een inkomensgarantie-uitkering, werd een responsabiliseringsbijdrage ingesteld ten laste van de werkgever die dit voorrangsprincipe niet naleeft. Deze bijdrage bedraagt 25 euro per werknemer en blijft verschuldigd zolang de wettelijke verplichting niet wordt nageleefd.

De responsabiliseringsbijdrage zal van toepassing zijn op de contracten afgesloten vanaf 1 januari 2018 en zal bestemd zijn voor het RSZ-Globaal Beheer van de werknemers. De controle op het al dan niet voorkomen van beschikbare bijkomende uren zal gebeuren op basis van de RSZ-aangiften.

Share

PREVENTIEF DISPOSITIEF VAN HET WITWASSEN VAN GELD EN DE FINANCIERING VAN TERRORISME: BESTUURDERS MOETEN DE UITEINDELIJKE BEGUNSTIGDEN IDENTIFICEREN EN HUN INFORMATIE OVERMAKEN AAN HET UBO-REGISTER

De wet van 18 september 2017 heeft een artikel 14/1 ingevoegd in het Wetboek van vennootschappen en heeft de vierde richtlijn AML (hierna « Richtlijn WG/FTP ») omgezet. Er werd een artikel 58/11 ingevoegd in de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen, de Europese politieke partijen en stichtingen.

I. VERPLICHTING VAN DE BESTUURDERS

Vzw’s, stichtingen en vennootschappen moeten toereikende, accurate en actuele informatie inwinnen over hun uiteindelijke begunstigden. Welke informatie viseert men hier? Minstens de naam, de geboortedatum, de nationaliteit en het adres van de uiteindelijke begunstigde(n).

De bestuurders van vzw’s, stichtingen en vennootschappen moeten binnen de maand, vanaf het ogenblik waarop de informatie m.b.t. de uiteindelijke begunstigden gekend of gewijzigd is, de verzamelde gegevens via elektronische weg overmaken aan het register van de uiteindelijke begunstigden, doorgaans « UBO-register» genoemd.

Wanneer ze aan deze verplichting verzaken, zullen zij gestraft worden met een boete van 50 tot 5.000 euro.

De bestuurders van de hierboven bedoelde rechtspersonen zullen trouwens – wanneer zij hun identificatieverplichting van de uiteindelijke begunstigde naleven – de aldus ingewonnen informatie, naast de informatie over de wettelijke eigenaar, over moeten maken aan de onderworpen entiteiten.

Ter herinnering, wanneer ze hieraan verzaken, zal de onderworpen entiteit geen zakenrelatie mogen aangaan (aangezien zij haar identificatieverplichting van de uiteindelijke begunstigde niet kan naleven) en de vraag van een eventuele melding in geval van vermoeden uit dien hoofde zal geanalyseerd worden.

II. UITEINDELIJKE BEGUNSTIGDEN

Het begrip « uiteindelijke begunstigde », reeds ingevoerd door de wet van 18 januari 2010 in het preventief dispositief, werd gewijzigd en gepreciseerd.

Heden viseert dit begrip drie hypotheses:

(i) de natuurlijke pers(o)n(en) die de uiteindelijke eigenaar is (zijn) van of zeggenschap heeft (hebben) over de cliënt, de lasthebber van de cliënt;

(ii) de begunstigde van levensverzekeringsovereenkomsten ;

(iii) de natuurlijke pers(o)n(en) voor wiens/wier rekening een verrichting wordt uitgevoerd of een zakelijke relatie wordt aangegaan.

Vennootschappen, vzw’s en stichtingen moeten informatie verzamelen over de eerste categorie.

Worden beschouwd als personen die de uiteindelijke eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over:

(i) In het geval van vennootschappen:

A. De natuurlijke perso(o)n(en) die rechtstreeks of onrechtstreeks een toereikend percentage van de stemrechten of van het eigendomsbelang in deze vennootschap houdt/houden, met inbegrip van het houden van aandelen aan toonder.

De wet bepaalt dat zal worden beschouwd als een toereikend percentage van het direct belang het feit dat een natuurlijke persoon meer dan 25% van de stemrechten of meer dan 25% van de aandelen of van het kapitaal van de vennootschap houdt. Dit houden van meer dan 25% is een indicatie van een toereikend percentage van de stemrechten of van het toereikend direct belang.

De Wet bepaalt bovendien dat een belang gehouden door een vennootschap die onder zeggenschap staat van één of meerdere natuurlijke perso(o)n(en) of van meerdere vennootschappen die onder zeggenschap staan van dezelfde natuurlijke persoon of natuurlijke personen, van meer dan 25% van de aandelen of van meer dan 25% van het kapitaal van de vennootschap, als indicatie geldt van een toereikend onrechtstreeks belang.

B. De natuurlijke perso(o)n(en) die zeggenschap heeft/hebben over deze vennootschap via andere middelen.

De uitoefening van zeggenschap via andere middelen kan met name worden vastgesteld, preciseert de tekst, volgens de criteria bedoeld in artikel 22, leden 1 tot en met 5, van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen.

C. De natuurlijke persoon of personen die behoort/behoren tot het hoger leidinggevend personeel, indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, geen van de personen als bedoeld onder (i) en (ii) is geïdentificeerd, of indien er enige twijfel bestaat of de geïdentificeerde persoon of personen de uiteindelijke begunstigde(n) is, respectievelijk zijn.

(ii) In het geval van verenigingen zonder winstoogmerk en van stichtingen:

A. De bestuurders en leden van de raden van bestuur;

B. De personen gemachtigd om ze te vertegenwoordigen;

C. De stichters van de stichtingen;

D. De personen belast met het dagelijks bestuur;

E. De natuurlijke personen, of wanneer deze personen nog niet werden aangeduid, de categorie van natuurlijke personen in wier hoofdzakelijk belang de vereniging zonder winstoogmerk of stichting werd opgericht of werkzaam is;

F. Elke andere natuurlijke persoon die via andere middelen uiteindelijke zeggenschap over de vereniging zonder winstoogmerk of stichting uitoefent.

III. UBO-REGISTER

Binnen de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt een dienst opgericht belast met een centraal register van uiteindelijke begunstigden, « UBO-register » genaamd.

Wij hebben gezien dat bestuurders van vzw’s, stichtingen en vennootschappen dit register voorzien van informatie.

Maar wie zal hier toegang tot hebben? Antwoord op deze controversiële vraag in een nog te verschijnen koninklijk besluit … Volgens de parlementaire werken wordt deze toegang enkel toegekend opdat onderworpen entiteiten hun verplichtingen op preventief vlak zouden kunnen naleven. In het voorontwerp van de programmawet werd voorzien artikelen 322 en 338 van het WIB 92 te wijzigen zodat de fiscale administratie (i) toegang kan hebben tot dit register (ii) en informatie kan uitwisselen met buitenlandse fiscale autoriteiten.

IV. VERPLICHTING VAN DE AANDEELHOUDER ?

Ter herinnering, de wet van 18 januari 2010 ter uitvoering van de derde richtlijn heeft artikel 515bis in het Wetboek van vennootschappen ingevoegd. Deze bepaling omvat de verplichting voor elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die stemrechtverlenende effecten verwerft die al dan niet het kapitaal vertegenwoordigen (van een andere naamloze vennootschap dan deze onderworpen aan de transparantieverplichting) en die aandelen aan toonder of gedematerialiseerde aandelen heeft uitgegeven, om ten laatste binnen de vijf werkdagen volgend op de dag van verwerving aan deze vennootschap kennis te geven van het aantal effecten dat hij bezit, wanneer de stemrechten verbonden aan die effecten 25 % of meer bereiken van het totaal der stemrechten op het ogenblik waarop zich de verrichting voordoet op grond waarvan kennisgeving verplicht is.

Deze bepaling wordt gewijzigd en bepaalt heden dat deze verplichting rust op elke natuurlijke persoon die deze effecten rechtstreeks of onrechtstreeks verwerft.

V. ConclusiE

Het preventief dispositief werd ingrijpend gewijzigd bij de omzetting van de vierde richtlijn. De vijfde richtlijn is momenteel in voorbereiding.

Voor wat betreft de identificatie van de uiteindelijke begunstigde constateren we dat de cirkel rond is:

(i) de aandeelhouder moet aan de vennootschap zijn deelnemingen van meer dan 25% aangeven;

(ii) de vzw’s, stichtingen en vennootschappen moeten accurate, toereikende en nuttig informatie inwinnen over hun uiteindelijke begunstigden en deze overmaken (i) aan het UBO-register en (ii) aan de onderworpen entiteiten wanneer ze hun identificatieverplichting vervullen op preventief vlak;

(iii) de onderworpen entiteiten mogen geen zakenrelatie aangaan en geen verrichting uitvoeren indien de identificatie niet werd uitgevoerd.

Het dispositief tot voorkoming van het witwassen van geld heeft aldus tot transparantie geleid.

Dit is echter nog niet voldoende voor bepaalde Staten die zouden willen dat het UBO-register niet alleen toegankelijk wordt voor de fiscale autoriteiten. Frankrijk verdedigt de toegankelijkheid van dit register voor alle derden, waaronder onderzoeksjournalisten…

Wordt vervolgd …

Share

CAFETARIAPLAN: EEN ZURE ONTVANGST DOOR DE RSZ

Afdeling : 

I. probleemstelling

Het arrest gewezen op 8 maart 2017 door het Arbeidshof van Luik, afdeling Neufchâteau, geeft ons de gelegenheid om ons te buigen over de vraag van de implementatie van een « Cafetariaplan » binnen de onderneming en de toelaatbaarheid ervan door de RSZ.

II. FEITEN AAN DE GRONDSLAG VAN HET GESCHIL

Een onderneming die 135 personen tewerkstelt, heeft beroep gedaan op een advieskantoor op het vlak van loonstrategie. Dit kantoor heeft geconstateerd dat het gemiddeld loon van de werknemers hoger lag dan de barema’s van het paritair comité waaronder de onderneming ressorteerde. In zijn rapport stelde het advieskantoor voor om het bruto beroepsinkomen van de werknemers te verminderen door een alternatief inkomen in te voeren dat de vorm zou aannemen van een extralegale kinderbijslag vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen.

Ingevolge dit rapport heeft de onderneming een “cafetariaplan” ingevoerd in het voordeel van haar werknemers, hetzij een flexibele vorm van verloning waardoor de werknemer zelf een deel van zijn loonpakket kan samenstellen of wijzigen. In deze context hebben meerdere werknemers geopteerd voor een omzetting van hun bruto maandloon in een extralegale kinderbijslag.

Het ingevoerd cafetariaplan wijzigde het bedrag van het pensioen van de werknemers niet, evenmin hun rechten bij werkloosheid en respecteerde de minima barema’s van het bevoegd paritair comité.

III. contrOle DOOR DE RSZ

Bijna meer dan drie jaar na de invoering van het cafetariaplan voert de RSZ een controle uit binnen de onderneming en beslist om over te gaan tot rechtzettingen in de kwartaalaangiftes neergelegd door de onderneming.

De RSZ wou de aanvulling op de legale kinderbijslag aan sociale bijdragen onderwerpen op grond dat de gestorte vergoedingen door de werkgever als aanvulling op de voordelen toegekend door een tak van de sociale zekerheid enkel vrijgesteld zijn van sociale bijdragen op voorwaarde dat:

  • De doelstelling van de werkgever er effectief uit bestaat een aanvulling toe te kennen op de voordelen toegekend door een tak van de sociale zekerheid;
  • De vergoeding zijn karakter van aanvulling behoudt, voorwaarde die de RSZ als vervuld beschouwt als het voordeel het bedrag van 600 EUR per kind per jaar niet overschrijdt.

Volgens de RSZ was echter in casu geen enkele van deze voorwaarden vervuld.

Enerzijds overschrijdt de vergoeding het maximum toegelaten bedrag. Anderzijds meent de RSZ dat het niet de intentie van de werkgever was de legale kinderbijslag aan te vullen want de aanvulling werd niet toegekend aan alle werknemers van de onderneming die kinderen hebben, maar enkel aan diegenen waarvan over een deel van het loon onderhandeld werd.

Bijgevolg beslist de RSZ alle gestorte bedragen ten titel van extralegale kinderbijslag aan sociale zekerheidsbijdragen te onderwerpen, en niet enkel het deel dat het toegelaten bedrag per kind per jaar overschrijdt.

IV. VONNIS VAN DE ARBEIDSRECHTBANK VAN LUIK, AFDELING Neufchâteau

Nadat de onderneming tevergeefs aan de RSZ had gevraagd zijn beslissing van regularisatie in te trekken, heeft zij een beroep ingesteld voor de Arbeidsrechtbank. Zij was immers de mening toegedaan dat geen enkele wettelijke bepaling een bedrag vastlegt waarboven het voordeel als loon moet worden beschouwd.

De Arbeidsrechtbank meent dat de extralegale gestorte kinderbijslag loon uitmaakt onderworpen aan sociale bijdragen. Het beroep van de onderneming wordt afgewezen.

V. Arrest van het arbeidshof van luik

Na onderzoek van de twee door de RSZ opgeworpen argumenten hervormt het Arbeidshof nadien het vonnis en geeft de RSZ ongelijk.

Het eerste argument van de RSZ bestond erin dat de werkgever door een deel van het bruto salaris van zijn werknemers om te zetten in een aanvulling op de legale kinderbijslag geen sociale maar een economische doelstelling nastreeft, namelijk de vermindering van zijn patronale lasten.

Het Arbeidshof verwerpt dit argument.

De wettekst vereist niet dat de intentie van de werkgever hoofdzakelijk of uitsluitend sociaal is wanneer hij een aanvullend sociaal voordeel toekent en sluit niet uit dat de werkgever eveneens een economische doelstelling nastreeft. Het Hof voegt eraan toe dat de afsluiting van een overeenkomst waardoor een werknemer aanvaardt om van een deel van zijn loon af te zien in ruil voor een aanvullende vergoeding op een prestatie van de sociale zekerheid geen onwettig doel nastreeft. Ten slotte merkt het Hof op dat indien de nagestreefde doelstelling economisch is in hoofde van de werkgever, deze daarom niet minder sociaal is in hoofde van de werknemer die zijn jaarlijks netto loon heeft zien verhogen met 3%.

Als tweede argument wierp de RSZ op dat het voordeel op discriminatoire wijze was toegekend aangezien enkel de werknemers die over een deel van hun loon hadden onderhandeld, van een aanvulling op de legale kinderbijslag genoten. Dit argument heeft het Hof evenmin overtuigd.

Indien de wet de werkgever die aanvullende voordelen van sociale aard toekent aan zijn personeel, verplicht deze toe te kennen zonder onderscheid aan alle werknemers van dezelfde categorie, wordt deze verplichting gedaan aan de werkgever en beïnvloedt zij het loonbegrip niet. Het niet naleven door de werkgever van deze verplichting kan enkel op zich niet rechtvaardigen dat de voordelen in casu als loon worden beschouwd. Het behoort desgevallend de werknemers van de onderneming toe en niet de RSZ hun recht op een niet discriminatoir regime van sociale voordelen te doen gelden.

VI. Conclusie

In dit arrest bekrachtigt het Arbeidshof het « cafetariaplan » in zijn principe, geïmplementeerd door de onderneming, waardoor de werkgever en de werknemers het globale loonpakket flexibel kunnen maken door onder andere het maandelijks bruto loon te verminderen, waarop de sociale zekerheidsbijdragen worden berekend, en door te opteren voor een aanvullend sociaal voordeel vrijgesteld van sociale bijdragen.

Het Hof herinnert er eveneens aan dat de enige voorwaarde opdat een door de werkgever toegekend voordeel ten titel van aanvulling op de voordelen toegekend door de diverse takken van de sociale zekerheid vrijgesteld zou zijn van sociale zekerheidsbijdragen is dat het toegekend voordeel of vergoeding als doel heeft het verlies van inkomsten uit werk te compenseren of de verhoging van de uitgaven veroorzaakt door de realisatie van een van de risico’s gedekt door de verschillende takken van de sociale zekerheid te compenseren. De uitsluiting van het begrip van loon, onderworpen aan sociale bijdragen, geldt zonder enige andere beperking.

Share

ONTSLAG IN DE OPENBARE SECTOR: TACKELT HET GRONDWETTELIJK HOF HET HOF VAN CASSATIE?

Afdeling : 

I. probleemstelling

De volgende kwestie heeft lange tijd de arbeidsrechtbanken verdeeld: moet een overheid, die overweegt de arbeidsovereenkomst van één van haar contractuele ambtenaren te verbreken, zoals bij ontslag van een statutair ambtenaar de algemene principes van goed bestuur en meer bepaald de voorafgaandelijke hoorplicht en de formele motivatie van de ontslagbeslissing naleven?

II. standpunt van het hof van cassatie

In onze Tetralert van oktober 2016 informeerden wij u dat het Hof van cassatie deze controverse definitief had beslecht door zijn arrest van 12 oktober 2015 (A.R. n° S.13.0026.N) waarin het Hof heeft geoordeeld dat een openbare werkgever de contractuele ambtenaar niet moest horen alvorens over te gaan tot diens ontslag en zijn ontslagbeslissing niet moest motiveren. Het heeft eenvoudigweg vastgesteld dat de regels inzake de beëindiging van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde duur (artikelen 32, 3°, 37 §1 al. 1 en 39 §1 al. 1 van de wet van 3 juli 1978) de werkgever niet verplichten de werknemer te horen alvorens over te gaan tot zijn ontslag. De rechter die er anders over zou beslissen, zou de wet miskennen.

III. het grondwettelijk hof ondervraagd

Door zijn arrest van 6 juli 2017 (n° 86/2017) heeft het Grondwettelijk hof dit debat weer doen oplaaien. Bij het Hof werd een prejudiciële vraag aanhangig gemaakt door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Voor deze arbeidsrechtbank had een arbeidster, in dienst genomen onder arbeidsovereenkomst door een Brusselse gemeente, een discriminatie ingeroepen ten opzichte van haar statutaire collega’s omdat zij ontslagen is geweest zonder voorafgaandelijk te zijn gehoord.

In zijn arrest bepaalt het Grondwettelijk hof eerst en vooral dat alle werknemers van de openbare sector, of zij nu statutair of onder een arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen, zich in vergelijkbare situaties bevinden wanneer het gaat over het bepalen van de voorwaarden waaronder voor hen op geldige wijze een einde kan worden gemaakt aan hun betrekking. Het constateert vervolgens dat in tegenstelling tot contractuele ambtenaren, statutaire ambtenaren het recht hebben om gehoord te worden door een overheid voor het nemen van een ernstige maatregel om redenen die verband houden met hun houding of hun gedrag. Hieruit leidt het Hof af dat er een verschil van behandeling is die niet redelijkerwijze gerechtvaardigd kan worden door het verschil van juridisch statuut waaronder zij tewerkgesteld zijn door de overheid. Het Grondwettelijk Hof besluit dus tot discriminatie.

IV. Conclusie

Het Grondwettelijk hof spreekt het Hof van cassatie niet tegen, maar hun redeneringen, die elk in het kader van hun eigen bevoegdheden liggen, leiden tot tegenovergestelde conclusies. Het Hof van cassatie constateert dat de regels inzake de beëindiging van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde duur bepaald door de wet van 3 juli 1978 een werkgever niet verplichten een werknemer te horen alvorens over te gaan tot zijn ontslag. Op grond van een algemeen principe van goed bestuur, kan er niet afgeweken worden van deze regels door te beschouwen dat de werkgever die de werknemer niet hoort, een fout begaat. Het Grondwettelijk Hof daarentegen beschouwt van zijn kant dat de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten die een overheid toestaan een werknemer te ontslaan onder arbeidsovereenkomst zonder verplicht te zijn deze voorafgaandelijk te horen, een ontoelaatbaar verschil in behandeling creëren tussen deze werknemer en de werknemer die statutair in dienst werd genomen. De bepalingen van de wet zijn dus ongrondwettig omdat zij een discriminatie doen ontstaan.

In het licht van het arrest gewezen door het Grondwettelijk Hof zit er niet anders op dan openbare werkgevers aan te raden om, wanneer zij overwegen één van hun ambtenaren onder arbeidsovereenkomst te ontslaan, de voorafgaandelijke hoorplicht na te leven en diens middelen van verweer te horen.

Share

DE MAATSCHAP NIET WEG MET HET BADWATER WEGGOOIEN

Afdeling : 

I. Saga van de gesplitste inschrijving: Standpunt n° 15004

De saga van de gesplitste inschrijving blijft opschudding veroorzaken in het Vlaamse Gewest. Oorzaak hiervan is de publicatie op 26 april 2017 op de internetsite van VLABEL van de laatste update van beslissing nr. 15004 met ditmaal als mikpunt de schenking van de blote eigendom van de aandelen van een maatschap.

Ter herinnering omvat artikel 2.7.1.0.7 van de Vlaamse Codex fiscaliteit, hierna « VCF » genoemd (tegenhanger van artikel 9 van het Wetboek der successierechten) een fictiebepaling volgens dewelke roerende of onroerende goederen, verkregen in vruchtgebruik door de toekomstige overledene en in blote eigendom door diens erfgenamen,  geacht worden deel uit te maken van de nalatenschap van de vruchtgebruiker, tenzij het bewezen wordt dat de verkrijging niet een bedekte bevoordeling is ten behoeve van de begunstigde.  Op basis van cassatierechtspraak aanvaardde de fiscus lange tijd dat het tegenbewijs was geleverd indien de partijen aantoonden dat een schenking (zelfs van ouder aan kind) deze gesplitste aankoop had toegelaten.

Dit mechanisme stond evenwel op de zwarte lijst die werd uitgegeven door de federale belastingadministratie in haar omzendbrief van 19 juli 2012, om met een latere omzendbrief van 10 april 2013 weer van die lijst te worden geschrapt.

Dit uitstel was geen lang leven beschoren, nu de fiscus met een beslissing van 19 april 2013 meende dat het in artikel 9 van het Wetboek der successierechten vereiste tegenbewijs niet zou kunnen bestaan uit een voorafgaande schenking.

Nadat zij door de Minister van Financiën werd teruggefloten, heeft de administratie op 18 juli 2013 beslissing (RJ S9/06-07)  gepubliceerd, volgens dewelke een voorafgaande schenking zal kunnen gelden als tegenbewijs in twee hypotheses:

  1. wanneer de voorafgaande schenking aan de heffing van het registratierecht voor schenkingen werd onderworpen, of,
  2. wanneer wordt aangetoond dat de begunstigde van de schenking vrij over de gelden heeft kunnen beschikken, wat bijvoorbeeld het geval kan zijn als wordt aangetoond dat de schenking door de verkrijger van het vruchtgebruik niet specifiek bestemd was voor de financiering van de aankoop van de blote eigendom in het kader van de gesplitste aankoop.

Door een beslissing van 21 maart 2016 (nr. 15004) heeft VLABEL standpunt ingenomen m.b.t. de toepassing van artikel 2.7.1.0.7 van de VCF: voor wat betreft de gesplitste aankoop van roerende of onroerende goederen volgt VLABEL het bovenvermeld federaal standpunt. Niettemin werd een bijkomende vermelding toegevoegd die diametraal staat tegenover het federaal standpunt m.b.t. de gesplitste inschrijving.

VLABEL preciseert dat artikel 2.7.1.0.7 VCF ook van toepassing is op gesplitste inschrijvingen van effecten en geldbeleggingen. Het tegenbewijs van het vermoeden kan op dezelfde wijze worden geleverd als voor deze beschreven voor de gesplitste aankoop van goederen.

Met andere woorden gaat VLABEL precies in tegen het federaal standpunt aangezien in haar beslissing opgenomen in het repertorium van de administratie uitdrukkelijk wordt vermeld dat de beslissing op het vlak van gesplitste aankoop niet wordt toegepast naar analogie met de gesplitste inschrijvingen.

II. TOEPASSING OP DE MAATSCHAP

1. De effecten van de maatschap en de achterliggende activa

In haar nieuwe versie valt VLABEL de maatschappen aan. Aangezien zij geen rechtspersoonlijkheid hebben, zijn zij – herinnert VLABEL eraan – fiscaal transparant. Bijgevolg, vanuit de optiek van registratie- of erfbelasting, dient volgens VLABEL rekening te worden gehouden met de onderliggende activa. Wanneer de activa ingebracht in de maatschap uit effecten of geldbeleggingen bestaan, zal het vermoeden van artikel 2.7.0.1.7 van de VCF van toepassing zijn. Bijgevolg, indien het bewijs van een voorafgaandelijk geregistreerde schenking (om het vermoeden van de bevoordeling te weerleggen) niet wordt aangebracht, zal de gesplitste inschrijving van onderliggende effecten of geldbeleggingen als een legaat worden beschouwd.

Deze gesplitste inschrijving zal hetzij (i) materieel zijn (zoals volgt uit het aandelenregister of bankdocumenten) of (ii) juridisch (resulterend uit handelingen in die zin, zoals bijvoorbeeld een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik).

2. Het “resultaat” van de burgerlijke maatschap

Voor wat de maatschap betreft, gaat de VLABEL een stap verder in haar redenering.

Het vermoeden van bevoordeling zal aldus ook van toepassing kunnen zijn op de vruchten van deze effecten en geldbeleggingen.

Inderdaad, indien de opbrengst van deze activa zelf in blote eigendom en vruchtgebruik moest worden ingeschreven (voor de erfgenamen enerzijds en de decujus, anderzijds), dan zou artikel 2.7.1.0.7 van de VCF ook op deze vruchten van toepassing zijn.

Een synthetische tabel zou als volgt kunnen worden opgesteld:

Geregistreerde voorafgaande schenking

Uitgekeerde burgerlijke vruchten

Gebruik van de burgerlijke vruchten door de vruchtgebruiker

Artikel

2.7.0.1.7

Ja

Ja

Volle eigendom

Niet van toepassing (let echter op bij schenking door de vruchtgebruiker binnen de drie jaar voorafgaand aan het overlijden: toepassing van artikel 2.7.1.0.5)

Ja

Ja

Vruchtgebruik-

Blote eigendom

Van toepassing op de nieuwe gesplitste inschrijving

Nee

Nee

-

Ja, op het geheel (voorafgaande schenking – burgerlijke vruchten en andere opbrengsten).

Nee

Ja

Volle eigendom

Toepassing op het geheel, met inbegrip van de burgerlijke vruchten, maar mogelijkheid van herleiding

Ja

Nee

-

Toepassing op de burgerlijke vruchten maar niet op voorafgaande schenking noch op de meerwaarden

 

3. Vervanging van de initiële effecten en geldbeleggingen

Het standpunt nr. 15004 preciseert echter dat de vervanging van initieel gesplitst ingeschreven effecten en geldbeleggingen door andere effecten en geldbeleggingen die ook gesplitst zijn ingeschreven niet als een nieuwe gesplitste inschrijving wordt beschouwd. Om dus het vermoeden van artikel 2.7.1.0.7 van de VCF te weerleggen, zal de blote eigenaar een afwezigheid van bedekte bevoordeling enkel dienen aan te tonen voor de initiële inschrijving.

4. Inwerkingtreding

De belasting zal plaatsvinden indien de vruchtgebruiker een Vlaamse inwoner is op het ogenblik van het overlijden, welke ook de verblijfplaats was op het ogenblik van de gesplitste inschrijving van de effecten tussengekomen vanaf 1 juni 2017.

De vruchten die sinds deze datum zijn ontvangen worden bijgevolg eveneens geviseerd, zelfs indien de schenking van “aandelen” van de maatschap vooraf plaatsvond.

III. BESLUIT

In alle redelijkheid kan men toch niet anders dan zich ongerust maken over dit standpunt van VLABEL, en dit om verschillende redenen.

A priori stelt deze beslissing (i) de tegenstelbaarheid van het contract van vennootschappen ter discussie en (ii) zal zij vele vragen opwekken m.b.t. het begrip “burgerlijke vruchten” zelf.

Aldus, zoals de VLABEL het bevestigt in een voorbeeld opgenomen in het standpunt nr. 15004, zullen meerwaarden in principe niet als burgerlijke vruchten worden beschouwd in de strikte zin van de term, en zijn deze per definitie niet uitkeerbaar. Bovendien bestaat nog controverse over de toekenning aan de vruchtgebruiker van bepaalde dividenden. Quid in de praktijk met de individualisering van deze niet uitkeerbare inkomsten met betrekking tot andere soorten inkomsten van de vennootschap in de loop der jaren? Men kan vrezen dat de erfbelasting voor het geheel wordt gevorderd.

Bij wijze van besluit, welke oplossing kan men overwegen voor Vlaamse inwoners die hun roerende effecten wensen over te dragen aan hun erfgenamen zonder af te zien van het effectief beheer van deze goederen?

In eerste instantie, door erop toe te zien dat voor de schenkingen die reeds voor het verleden zijn tussengekomen, de burgerlijke vruchten, in hun geheel, in volle eigendom aan de vruchtgebruiker worden gestort, en dit vanaf 1 juni 2017.

Vervolgens, door zich in de toekomst zeker buiten een gesplitste inschrijving te plaatsen. Men moet inderdaad niet noodzakelijkerwijze “de maatschap met het badwater weggooien”. Indien de gesplitste inschrijving terzijde moet worden geschoven, is het nochtans mogelijk deze goederen te beheren door tussenkomst van deze vennootschap. In dit geval zal de overdracht van effecten en speciën moeten toegekend worden voorafgaandelijk, in volle eigendom en bijvoorbeeld met een last van een rente, om aldus te ontsnappen aan de toepassing van artikel 2.7.1.0.7 VCF, die, zoals we hierboven hebben uiteengezet, enkel situaties van gesplitste inschrijving in blote eigendom en vruchtgebruik van effecten en geldbeleggingen viseert.

Share

GRATIS TERBESCHIKKINGSTELLING VAN EEN GEBOUW DOOR EEN VENNOOTSCHAP AAN HAAR BEDRIJFSLEIDER: HOEVER STAAN WE MET DE BEZOLDIGINGSTHEORIE?

Elk voordeel ontvangen door een bedrijfsleider van zijn vennootschap maakt voor hem een bezoldiging uit.  Dit zal eveneens het geval zijn als de vennootschap privékosten ten laste neemt. Dit voordeel van alle aard zal als dusdanig belast worden.  Dit gebeurt in principe op grond van de werkelijke waarde van het aldus toegekend voordeel of, zo het uitvoeringsbesluit van het Wetboek van inkomstenbelastingen (WIB 92) hiervan afwijkt, op forfaitaire wijze. Dit is onder meer zo voor:

  • Kosten m.b.t. een voertuig;
  • De terbeschikkingstelling van een gebouw;
  • De betaling van kosten van verwarming en/of  elektriciteit;
  • De terbeschikkingstelling van een PC en/of een internetverbinding;
  • Etc.

Het is onmiskenbaar zo dat dit mechanisme de fiscale last verlicht. De gerealiseerde besparing dankzij deze optimalisatie veronderstelt echter dat de gedane kosten aftrekbaar blijven in hoofde van de vennootschap.  Via deze weg neemt de fiscus sedert jaren bepaalde structuren in het vizier die ze als een misbruik beschouwt. Dat geldt in het bijzonder voor de villavennootschappen en/of de kosten verbonden aan gebouwen die (quasi-)exclusief voor het privégebruik van de bedrijfsleider(s) dienen.

Na meer dan vijftien jaar rechtspraak die duidelijk contra legem is (zie punten I & II hieronder) is de nieuwe stand van de rechtspraak, ontwikkeld door het Hof van Cassatie en aangemoedigd door de Hoven van Beroep van Antwerpen en Gent, nog onrustwekkender (zie punt III hieronder).

I. VAN HET ARREST DERWA NAAR DE BEZOLDIGINGSTHEORIE

Op grond van het Wetboek van de inkomstenbelastingen was een kost aftrekbaar  wanneer deze:

  • verband houdt met de beroepsactiviteit;
  • werd gedragen om inkomsten te verkrijgen of te behouden;
  • werd gedaan in het belastbaar tijdperk;
  • wordt verantwoord door middel van bewijsstukken.

Ook al is deze bepaling, die de volledige bewijslast bij de belastingplichtige legt, reeds aanmerkelijk,  toch heeft het Hof van Cassatie deze nog verstrengd, door aftrekbare kosten te beperken tot kosten “eigen aan de uitoefening van het beroep, met name zij die in een noodzakelijk verband staan met haar  maatschappelijke activiteit”.

Hoewel zo een voorwaarde aan de wet werd toegevoegd, leidde deze rechtspraak ertoe dat in de praktijk twee oplossingen werden ontwikkeld, meer bepaald bij verrichtingen van gesplitste aankoop van gebouwen die volledig of gedeeltelijk worden aangewend voor het privégebruik van bedrijfsleiders:

II. HET HOF VAN CASSATIE KOMT TERUG op EERDERE RECHTSPRAAK, DE REGERING VREEST INKOMSTENVERLIES

Met twee arresten in juni 2015 kwam het Hof van Cassatie terug op heer eerdere rechtspraak. Volgens het Hof voegde de fiscus inderdaad een voorwaarde toe aan de wet daar waar zij de aftrek weigerde omdat daarmee uitsluitend een belastingvoordeel zou worden beoogd en daardoor geen verband zou houden met het maatschappelijk doel van de vennootschap.

Deze kentering was de regering niet onopgemerkt gebleven, waardoor zij destijds een wetswijziging voorstond, die was ingegeven door de bezorgdheid dat “constructies waarbij tweede verblijven ondergebracht worden in een vennootschap, enkel met een herschrijving van artikel 49 WIB kunnen tegen gegaan worden.”

Deze wetswijziging zal misschien zelfs niet nodig zijn...

III. TERUGSLAG

In twee arresten van 14 oktober 2016 – één ter bevestiging van een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, het andere ter bevestiging van een arrest van het Hof van beroep te Gent - heeft het Hof van Cassatie de fiscus opnieuw van munitie voorzien.

Voortaan meent het Hof van Cassatie dat de kosten die een vennootschap voor haar bedrijfsleider ten laste neemt en voor laatstgenoemde een belastbare bezoldiging uitmaken, niet zonder meer aftrekbaar zijn in hoofde van de vennootschap.

Volgens deze rechtspraak moet de vennootschap die de aftrek van de kosten wil bekomen, kunnen aantonen dat deze kosten werden gedaan om inkomsten te verkrijgen of te behouden, en dat deze kosten bijgevolg prestaties vergoeden die werkelijk geleverd zijn door de bedrijfsleider aan de vennootschap, en waarvan deze laatste het bewijs kan leveren.

Deze nieuwe rechtspraak is nog opmerkelijker, doordat één van de zaken de eenmanszaak van een geneesheer betrof waarvan de kosten van het gebouw, die een bezoldiging uitmaakten in hoofde van de zaakvoerder, werden verworpen omdat de vennootschap de werkelijkheid van de geleverde prestaties niet aantoonde… Wij begrijpen echter niet hoe in dit geval de vennootschap inkomsten had kunnen genereren zonder deze prestaties.

IV. BESLUIT

De omstandigheden waarin deze beslissingen werden genomen, zijn te betreuren.

De enige juiste wijze om deze rechtspraak te begrijpen, zonder afbreuk te doen aan het principe van niet-inmenging van de fiscus in de opportuniteit van de bedrijfspolitiek van een vennootschap, is door het verband te leggen met reeds vaststaande cassatierechtspraak m.b.t. management fees:

  • de werkelijkheid van de prestaties kan worden vastgesteld op grond van een geheel van elementen, waarbij het louter voorhanden zijn van een overeenkomst en onbetwiste facturen onvoldoende is;
  • evenwel mag de fiscus niet louter op deze enige grond de grootte of structuur van de bezoldiging in vraag stellen;
  • tenzij de fiscus er in slaagt om aan te tonen dat de gedane kosten “op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen”, maar dit impliceert een totaal andere benaderingswijze.

Dit is spijtig genoeg niet de richting die wordt gevolgd door de Hoven van Beroep wier arresten aan de oorsprong van deze cassatierechtspraak liggen.  Een recent arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen van 28 maart 2017 bevestigt dit.

We hopen dat het Hof van Cassatie (zeer) snel genoodzaakt wordt haar rechtspraak te verduidelijken, en dat ze dan de nodige gestrengheid aan de dag zal leggen.

Share

WET BETREFFENDE WERKBAAR EN WENDBAAR WERK (DEEL II)

Afdeling : 

In onze Tetralert van de maand april 2017 stelden wij u de maatregelen voor van de « Sokkel » van de Wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk, in werking getreden op 1 februari 2017, die van toepassing zijn op alle ondernemingen en alle werknemers. De maatregelen van het « keuzemenu », die wij in deze Tetralert behandelen, bieden daarentegen de mogelijkheid aan de sectoren om regels op maat uit te werken. Elke sector kan onderhandelingen aanvatten om deze mogelijkheden te activeren op sectoraal niveau of binnen de onderneming.

Het Keuzemenu omvat een eerste luik over het « wendbaar werk » en een tweede luik over het « werkbaar werk ».

I. WENDBAAR WERK

De maatregelen bestemd om het werk meer wendbaar te maken, zijn de volgende :

1. Uitbreiding van het plus-minusconto

Het systeem van het Plus minus conto, initieel beperkt tot de automobielindustrie, wordt toegankelijk gemaakt voor alle ondernemingen van de privésector. Dit systeem biedt aan ondernemingen de mogelijkheid om werknemers tewerk te stellen tot 10 uren per dag en achtenveertig uren per week, zonder dat een overloon verschuldigd is, voor zover dat de wekelijkse arbeidsduur gemiddeld wordt nageleefd over de referteperiode van maximum zes jaar. Om dit systeem in te voeren, moet de onderneming op cumulatieve wijze voldoen aan betrekkelijk strikte voorwaarden (o.a. behoren tot een sector gekenmerkt door een sterke internationale concurrentie, onderworpen zijn aan productie- of ontwikkelingscycli die over meerdere jaren lopen, etc.), zodat slechts een beperkt aantal ondernemingen dit systeem uiteindelijk kan invoeren.

2. Uitzendarbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd

Een uitzendbureau kan voortaan met een uitzendkracht een uitzendarbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd sluiten, dat de algemene voorwaarden bepaalt m.b.t. de opeenvolgende uitzendopdrachten waarmee de uitzendkracht zal worden belast (vb. : geografisch gebied waarin de opdrachten worden uitgevoerd, bepaling van werk- en rustperiodes etc.). Dit contract moet ook de betrekkingen beschrijven waarvoor de uitzendkracht kan worden gestuurd naar een gebruiker. Voor elke opdracht moet een zendingsbrief aan de werknemer worden overhandigd, die onder andere de duur van het contract, het werkrooster en het overeengekomen loon vermeldt. De uitzendarbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd biedt enerzijds aan interimagentschappen de mogelijkheid om een « pool » op te richten van werknemers met een profiel dat erg in trek is, en anderzijds biedt het de mogelijkheid om aan uitzendkrachten het recht op een verbrekingsvergoeding te garanderen in geval van verbreking van hun contract door het interimagentschap. De uitzendkrachten hebben eveneens recht op een minimum gewaarborgd loon tijdens de periodes van onderbreking. Opdat dit regime volledig van toepassing zou zijn, moet nog een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) aangenomen worden door het Paritair Comité (PC) voor de uitzendarbeid dat onder andere het model van de uitzendarbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd vastlegt, alsook de berekeningsmodaliteiten van het gewaarborgd loon.

3. Hervorming van de werkgeversgroepering  

Meerdere ondernemingen kunnen een werkgeversgroepering vormen (WG) die werknemers aanwerft die ter beschikking worden gesteld van de leden van de WG. Dit systeem biedt de mogelijkheid tot gedeelde tewerkstelling van werknemers tussen ondernemingen, die hetzij geen voltijdse tewerkstelling nodig hebben, hetzij daarvoor niet over de middelen beschikken. Enerzijds vereenvoudigt de wet Peeters de ministeriële toelatingsprocedure om als WG te functioneren, die voortaan voor onbepaalde duur kan worden afgeleverd, en anderzijds legt zij het aantal werknemers vast dat door de WG kan worden tewerkgesteld op maximum vijftig. Deze drempel kan worden verhoogd bij koninklijk besluit. Tenslotte, zijn de leden van de WG voortaan hoofdelijk aansprakelijk voor de fiscale en sociale schulden van de WG waarbij elk lid dus kan worden gedwongen om de totale schuld van de groepering aan te zuiveren.

4. Vereenvoudiging van de deeltijdse arbeid

Heden verplicht de wet de werkgever om in het arbeidsreglement alle deeltijdse arbeidsregelingen en werkroosters toegepast in de onderneming te vermelden. Deze verplichting zal afgeschaft worden vanaf 1 oktober 2017 zowel voor de vaste als variabele deeltijdse werkroosters.

Voor de variabele werkroosters (die niet op voorhand de werkdagen en werkuren preciseren) zal het arbeidsreglement een algemeen kader moeten vastleggen dat onder andere het dagelijkse tijdvak bepaalt waarbinnen de prestaties kunnen worden voorzien alsook de dagen van de week waarop prestaties kunnen worden voorzien, de minimale en maximale dagelijkse arbeidsduur, de wijze waarop en de termijn waarbinnen de betrokken werknemers worden geïnformeerd over hun werkroosters (ten minste vijf werkdagen vooraf, behoudens andersluidende overeenkomst). Indien naast het werkrooster ook de arbeidsregeling variabel is, dan zal het arbeidsreglement de minimale en maximale wekelijkse arbeidsduur moeten vermelden. De arbeidsovereenkomst daarentegen zal enkel moeten verwijzen naar het algemeen kader en enkel de arbeidsduur per week moeten vermelden. De ondernemingen hebben tot 31 maart 2018 de tijd om hun arbeidsreglement aan te passen.

In geval van een vast werkrooster voldoet de arbeidsovereenkomst op zich, aangezien deze uitdrukkelijk de overeengekomen arbeidsregeling en werkrooster vermeldt. Indien het werkrooster georganiseerd is volgens een cyclus, hetzij een opeenvolging van dagelijkse werkroosters die gespreid is over meer dan een week, zal de arbeidsovereenkomst deze cyclus moeten detailleren en de orde vastleggen waarin de werkroosters worden gepresteerd.

Tenslotte, worden de verplichtingen m.b.t. de bekendmaking van de deeltijdse werkroosters en m.b.t. het toezicht op de afwijkingen van het normaal werkrooster vereenvoudigd en aangepast aan de actuele technologieën.

Deze maatregelen treden in werking op 1 oktober 2017.

5. E-commerce

Er wordt in een nieuwe uitdrukkelijke afwijking voorzien op het verbod van nachtarbeid (hetzij het werk geleverd tussen 20u en 6u) voor de uitvoering van alle activiteiten verbonden aan elektronische handel in de ondernemingen van de distributiesector.

II. werkbaar werk

De maatregelen bestemd om het werk meer werkbaar te maken, zijn de volgende :

1. Glijdende uurroosters

Terwijl glijdende uurroosters tot op heden enkel werden gedoogd door de sociale inspectiedienst, worden ze voortaan gelegaliseerd. Het systeem van glijdende uurroosters biedt de mogelijkheid aan de werknemer om het begin en einde van zijn werkdag en van zijn pauzes te bepalen, mits naleving van door de werkgever vastgelegde « glijtijden » en verplichte aanwezigheidsuren, “stamtijden” genoemd. Het is dus de werknemer zelf die, in een zekere mate, zijn werkrooster bepaalt. De werknemer ontvangt elke maand het normale loon voor de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur in de onderneming. Er is geen overloon verschuldigd voor zover de werknemer niet meer dan negen uur per dag presteert en vijfenveertig uur per week.

Op het einde van de referteperiode, die in principe drie maanden is, kan een positief of negatief saldo van maximaal twaalf uur overgebracht worden naar de volgende referteperiode. Indien de werknemer een tekort van meer dan twaalf uur heeft, zal de werkgever het niet-verschuldigd salaris boven de twaalf uur kunnen recupereren op het loon van de volgende maanden. Indien daarentegen de werknemer een positief saldo heeft hoger dan twaalf uur, zal hij enkel recht hebben op het normaal loon voor deze overtollige uren voor zover deze zijn verricht op vraag van de werkgever.

De onderneming kan het systeem van glijdende uurroosters invoeren, hetzij door het afsluiten van een CAO, hetzij door de wijziging van het arbeidsreglement. De onderneming moet zich uitrusten met een systeem van tijdsopvolging, waardoor de werknemer op elk ogenblik het positief of negatief saldo kan consulteren met betrekking tot de arbeidsduur in de onderneming.

2. Palliatief verlof en tijdskrediet

De totale duur van de volledige loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen wordt gebracht van twee naar drie maanden. Concreet betekent dit dat de werknemer voortaan twee keer het palliatief verlof kan verlengen met één maand.

De sociale partners – op interprofessioneel niveau – hebben het recht op tijdskrediet met zorgmotief of motief van bijstand uitgebreid van zesendertig naar eenenvijftig maanden.

Wij herinneren u eraan dat enkel de werknemers van de privésector toegang hebben tot het systeem van tijdskrediet, terwijl het systeem van loopbaanonderbreking zowel toegankelijk is voor werknemers uit de openbare sector als voor werknemers uit de privésector

3. Loopbaansparen

De wet biedt de mogelijkheid aan de werknemer om tijd op te sparen, zoals de niet genomen extralegale vakantiedagen, de vrijwillige overuren of nog de overuren gepresteerd in het systeem van glijdende uren die overgebracht kunnen worden. De werknemer zal daarentegen noch de legale vakantiedagen, noch de vervangingsdagen van feestdagen, noch de dagen van arbeidsduurvermindering (ADV) kunnen opsparen. De werknemer zal nadien de « opgespaarde tijd » kunnen opmaken door deze later tijdens de duur van zijn dienstbetrekking als verlof op te nemen. Op het einde van zijn contract zal de werknemer recht hebben op de volledige uitbetaling van zijn opgespaarde tijd.

Voor de effectieve invoering van dit systeem binnen de onderneming is de afsluiting van een sectorcao nodig binnen een termijn van zes maanden, na aanhangigmaking bij de Voorzitter van het Paritair Comité. Indien geen sectorcao binnen deze termijn wordt afgesloten, zullen de ondernemingen, door middel van een ondernemingscao, onder andere de tijdsperiodes kunnen vastleggen die opgespaard kunnen worden en de manier waarop deze tijd zal kunnen worden opgenomen.

De wet biedt evenwel de mogelijkheid aan de sociale partners tot 1 augustus 2017 om het systeem te harmoniseren door afsluiting van een intersectorale CAO. Indien deze CAO het licht ziet, zullen de intussen eventueel afgesloten sectorcao’s geen bestaansreden meer hebben.

4. Schenking van verlof

De wet biedt aan de werknemers de mogelijkheid om hun verlofdagen te schenken aan collega’s met een ernstig ziek kind jonger dan eenentwintig jaar. Enkel de verlofdagen waarover de werknemer vrij beschikt, kunnen worden afgestaan. Het is dus niet mogelijk om de vier weken van legale vakantiedagen af te staan, maar enkel de extralegale vakantiedagen, toegekend door de arbeidsovereenkomst of door een ondernemingscao (vb. : anciënniteitsverlof) of de dagen van ADV. De schenking van verlofdagen moet worden goedgekeurd door de werkgever, is anoniem en zonder enige tegenprestatie door de schenker. De ouder van het zieke kind moet al zijn vakantie- en rustdagen hebben opgenomen om hiervan te kunnen genieten. Zijn aanvraag mag maximaal twee weken betreffen, maar is hernieuwbaar.

Voor de invoering van de schenking van verlof is de afsluiting van een sectorcao nodig. Het is pas bij ontstentenis van een cao binnen de zes maanden vanaf de aanhangigmaking bij de Voorzitter van het Paritair Comité dat de schenking van verlof zal kunnen ingevoerd worden door een ondernemingscao of, bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging, door het arbeidsreglement.                  

Share

WET BETREFFENDE WERKBAAR EN WENDBAAR WERK – DEEL I

Afdeling : 

Op 23 februari j.l. heeft de Kamer het wetsontwerp betreffende werkbaar en wendbaar werk goedgekeurd, ingediend door de regering Michel op 4 januari 2017. De wet, omgedoopt tot de « Wet Peeters », werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van woensdag 15 maart j.l.

I. INLEIDING

De wet, die beoogt een kader in te voeren voor een gemoderniseerd arbeidsrecht, bestaat uit twee groepen bepalingen:

  1. de eerste groep die de « sokkel » wordt genoemd, bevat de bepalingen die van toepassing zullen zijn op alle ondernemingen en alle werknemers ;
  2. de tweede groep bepalingen die Minister Peeters het « keuzemenu » noemt, bestaat uit een wettelijk kader waarbinnen sectoren specifieke regels kunnen uitwerken. Het keuzemenu omvat een eerste luik   « wendbaar werk » en een tweede luik  « werkbaar werk ».

In deze Tetralert stellen wij u de vier maatregelen van « de sokkel» voor.

Wij zullen het in onze volgende Tetralert (deel II) hebben over de maatregelen van het «keuzemenu ».

II. DE SOKKEL

De sokkel omvat vier maatregelen :

  • de annualisering van de arbeidsduur;
  • het regime van de vrijwillige overuren en de verhoging van de « interne grens »;
  • het nieuw regime betreffende de vorming van werknemers;
  • het wettelijk kader voor occasioneel telewerk.

1. Annualisering van de arbeidsduur in het regime van de « kleine flexibiliteit »

Het stelsel van de « kleine flexibiliteit », voorzien door artikel 20bis van de arbeidswet, biedt de werkgevers de mogelijkheid de werkroosters te laten schommelen in functie van het ritme van de activiteit en/of de noodwendigheden van de onderneming. Middels de aanpassing van het arbeidsreglement of middels de afsluiting van een CAO kunnen werknemers tot twee uur boven of beneden het gewone dagelijkse uurrooster presteren, zonder de grens van negen uur per dag te overschrijden, en tot vijf uur boven of beneden het gewone wekelijkse uurrooster, zonder de grens van vijfenveertig uur per week te overschrijden, op voorwaarde dat over de referteperiode de wekelijkse arbeidsduur van kracht binnen de onderneming gemiddeld wordt gerespecteerd.

Concreet betekent dit dat in een onderneming waarin de gewone arbeidsduur vastgesteld is op respectievelijk achtendertig uur per week en op zeven uur en zesendertig minuten per dag in het kader van een vast uurrooster, de kleine flexibiliteit de mogelijkheid biedt werknemers minimum vijf uur en zesendertig minuten en maximum negen uur per dag en minimum drieëndertig uur en maximum drieënveertig uur per week te werk te stellen.  

De overschrijdingen van de dagelijkse en wekelijkse grenzen binnen de toegestane limieten en binnen het aangeplakte uurrooster, geven geen aanleiding tot de betaling van overloon. De werknemer wordt betaald op basis van het gemiddelde wekelijkse uurrooster.

De kleine flexibiliteit vereist de naleving van bepaalde publiciteitsmaatregelen, waaronder de verplichting het nieuwe uurrooster aan te plakken ten minste zeven dagen op voorhand.

De wet voorzag tot op heden dat de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur moest worden gerespecteerd over een referteperiode die niet langer dan één jaar mocht zijn, waarbij de mogelijkheid bestond een kortere referteperiode, bijvoorbeeld een trimester, vast te leggen. De wet Peeters thans stelt de referteperiode vast op een kalenderjaar (of op een andere periode van twaalf opeenvolgende maanden) zonder demogelijkheid om een kortere referteperiode te voorzien. 

2. Overuren

2.1. Meer werken om meer te verdienen

In geval van prestatie van overuren voorziet de wet, behoudens uitzonderingen, (i) de betaling van een overloon van 50% of 100% van het loon, naargelang ze worden gepresteerd in de week (zaterdag inbegrepen) of op zondag of feestdagen en (ii) de toekenning van inhaalrust.

Terwijl het overloon betaald wordt op het einde van de loonperiode gedurende dewelke de overuren werden gepresteerd, wordt het normaal loon voor deze uren betaald op het ogenblik dat de inhaalrust wordt toegekend.

De wet Peeters biedt voortaan de mogelijkheid aan de werknemer om zich als vrijwilliger aan te bieden voor het presteren van een quotum van honderd overuren die niet moeten worden ingehaald. Op het einde van de loonperiode zal de werknemer het overloon ontvangen m.b.t. de gepresteerde overuren, maar ook het normaal loon m.b.t. deze uren. De werknemer die opteert voor dit systeem zal dus meer kunnen verdienen aangezien hij niet meer gedwongen zal zijn zijn bijkomende prestaties te compenseren met een gelijkwaardige inhaalrust.

2.2. Verhoging van de « interne grens »

Om te vermijden dat werknemers gedwongen worden tot een hoge werklast gedurende een te lange periode, beperkt de wet het maximaal aantal overuren dat een werknemer mag presteren. Met andere woorden van zodra de interne grens is bereikt, moet de werkgever onmiddellijk inhaalrust toekennen.

In het geval van een referteperiode van drie maanden bedroeg de interne grens tot op heden achtenzeventig overuren. In het geval van een referteperiode van twaalf maanden bedroeg deze grens tot op heden eenennegentig uur en kon men deze naar honderddertig en zelfs naar honderddrieënveertig uur brengen middels een akkoord binnen de onderneming of binnen de paritaire commissie.

Onder de wet Peeters blijft het principe hetzelfde, maar de interne grens wordt voortaan vastgelegd op honderddrieënveertig uur, welke ook de duur is van de referteperiode voorzien in de onderneming.

Als de wekelijkse arbeidsduur van kracht in de onderneming achtendertig uur is te respecteren over een referteperiode van twaalf maanden, dan zal de werknemer verplicht op rust worden gezet, vóór het einde van de vierentwintigste werkweek als hij gemiddeld vierenveertig uur per week heeft gewerkt sinds het begin van de referteperiode. Zo niet zal hij de interne grens overschrijden (24 x 44u – 24 x 38u = 144u). In dezelfde arbeidsomstandigheden, wanneer de referteperiode drie maanden bedraagt, zal de werknemer de interne grens niet hebben bereikt op het ogenblik van de verplichte toekenning van de inhaalrust op het einde van de dertien weken van de referteperiode.

De « vrijwillige » overuren waarvan sprake in het vorig punt, worden meegeteld voor het bereiken van de interne grens, met uitzondering van de eerste vijfentwintig vrijwillig gepresteerde overuren. Met andere woorden, wordt de maximale interne grens verhoogd met vijfentwintig uur voor de werknemers die tot honderd vrijwillige overuren presteren.

3. De doelstelling van de individuele vorming

De huidige interprofessionele doestelling om 1,9 % van de totale loonmassa aan opleiding te besteden, wordt vervangen en omgezet, vanaf 2017, in een nieuwe interprofessionele doelstelling van vijf opleidingsdagen per voltijds equivalent per jaar. Deze doelstelling zal geconcretiseerd worden hetzij via een sectorale CAO, hetzij door de invoering van een « individuele opleidingsrekening » op het niveau van de onderneming, waarvan de functionering nog moet worden bepaald.

Indien er geen initiatief hiertoe wordt genomen binnen de sector of binnen de onderneming, zullen werknemers aanspraak kunnen maken op gemiddeld twee opleidingsdagen per jaar en per voltijds equivalent, te verdelen op evenwichtige wijze tussen hen.

De opleidingstijd, al dan niet besteed tijdens of buiten de werkuren, geeft recht op het normaal loon.

De wetgever nodigt de Koning uit een afwijkend regime te voorzien voor KMO’s en stelt zelfs voor ZKO’s (die minder dan tien werknemers tewerkstellen) uit te sluiten omdat wordt beschouwd dat de opleiding er op informele wijze gebeurt.

4. Het occasioneel telewerk

De wet introduceert een soepeler kader voor occasioneel telewerk, in vergelijking met het kader voor regelmatig georganiseerd telewerk. De werkgever kan zich bijvoorbeeld beperken tot het inschrijven in het arbeidsreglement van de vermeldingen die normalerwijze in een aanhangsel bij het arbeidscontract voor iedere werknemer individueel moeten worden opgenomen.

De werknemer kan verzoeken occasioneel telewerk te mogen verrichten in geval van overmacht (bv. : een autopanne) of in geval van persoonlijke redenen (bv. : een doktersbezoek), op voorwaarde dat hij een functie uitoefent die verenigbaar is met telewerk. De werknemer moet zijn aanvraag binnen een redelijke termijn indienen en het motief van zijn aanvraag preciseren. Indien de werkgever meent niet te kunnen ingaan op deze aanvraag, bijvoorbeeld omwille van de noodwendigheden van de functionering van de dienst of van de onderneming, motiveert hij zijn beslissing en brengt hij deze schriftelijk ter kennis aan de werknemer.

Wij raden werkgevers aan hun arbeidsreglement aan te passen en, zoals de wet het toelaat, door de activiteiten en functies in te vermelden die onverenigbaar zijn met telewerk.

De werkgever zal er bovendien op toezien te bepalen of een computer ter beschikking van de werknemer wordt gesteld en/of hij aanspraak zal kunnen maken op de forfaitaire terugbetaling van de kosten verbonden aan het telewerk. Bovendien zou de werkgever er tevens van kunnen profiteren om de termijn vast te leggen binnen dewelke de werknemer zijn aanvraag moet indienen.

Share

Inschrijving Tetralert

Inschrijving Tetralert

Ontvangen onze Tetralert